Beroepsserviërs
Beroepsserviër. De term werd onlangs voor het eerst in het Nederlands geïntroduceerd op Geenstijl, maar bestaat al jarenlang in de Servische taal. »Profesionalni Srbin« is de ietwat schertsende benaming voor iemand die zich terzake kundig en gevolmachtigd vertegenwoordiger waant van de gemeenschapsbelangen. En als geen ander weet waar die bedreigd worden. Hoe verder van Servië verwijderd, des te langer zijn tenen. Nico Dijkshoorn had het ongeluk op die tenen te gaan staan.
In het kort de aanleiding: in de Britse en Nederlandse sportpers circuleert de laatste weken het nieuws over Marijana Kovačević, een Servische wonderdokter die praktijk houdt in Belgrado en met haar paardenplacentakuur menig topvoetballer van zijn enkelblessure zou afhelpen. Ze is zodanig aanbevolen onder voetballers dat ze naast Servische internationals als Marko Pantelić (Ajax), Danko Lazović (PSV) en Goran Lovre (FC Groningen) inmiddels ook Robin van Persie (Arsenal), Orlando Engelaar (PSV), Frank Lampard (Chelsea), Yossi Benayoun, Glen Johnson en Fabio Aurelio (Liverpool) heeft behandeld met haar wonderlijke placentamassages.
Dit tamelijk bizarre verhaal sprak tot de verbeelding van o.a. Nico Dijkshoorn, die eind november in Voetbal International een column wijdde aan het recente bezoek van Van Persie aan de privékliniek van Kovačević. En dat deed hij uiteraard in de welbekende bloemrijke ironische stijl die we van hem gewend zijn. “Als het om medische oplossingen gaat,” oreerde Dijkshoorn, “zijn Serviërs genieën. In het nabije verleden hebben ze dat vaak genoeg bewezen. Bij zieke Kroaten sloegen ze voor de zekerheid meteen het hoofd er maar af. Baat het niet, dan schaadt het niet. Serviërs zijn onder zware omstandigheden heel praktische mensen. Naar verluidt werden tijdens de oorlog binnen drie minuten hele dorpen keurig verdeeld in mannen en vrouwen. Kroatische vrouwen mochten hun hoofd vaak gewoon op hun schouders houden.”
Zijn column schoot de zogeheten »Servische gemeenschap in Nederland« in het verkeerde keelgat — beter gezegd het chronisch verontwaardigde en meest luidruchtige deel ervan dat over net zoveel gevoel voor ironie blijkt te beschikken als Patty Brard. Het haalde weldra de voorpagina van het Servische emigrantendagblad Vesti, dat moord en brand schreeuwde over het zoveelste voorbeeld van Hollandse Servenhaat: »‘Therapie in het land der koppensnellers!’: In Nederland is opnieuw een schandelijke tekst over Serviërs verschenen!« Een kolfje naar de hand van Ratko Dmitrović, hoofdredacteur van deze in chocoladeletters gedrukte tabloid. Dmitrović leerde het journalistieke métier immers bij de Servische staatstelevisie ten tijde van Milošević, toen er vooral propaganda geproduceerd moest worden. Een hoogtepunt uit zijn carrière was hoe hij in de herfst van 1991 op het tv-journaal de verwoesting van Vukovar voor het thuisfront rechtvaardigde met het broodje-aapverhaal dat Kroatische fascisten daar duizenden Serviërs hadden afgeslacht. Voor Dmitrović was Dijkshoorns »anti-Servische« tekst dus gesneden koek om het veronderstelde eeuwenoude Servische slachtofferschap nog eens flink mee uit te vergroten.
Dijkshoorn bleek ook een kolfje naar de hand van Predrag Vitković, gewezen woordvoerder van de »Servische gemeenschap in Nederland«. Volgens Vitković zou Nico Dijkshoorn met zijn schrijverij al wat zich Serviër noemt hebben beledigd en gekwetst: “Dijkshoorn schotelt stereotyperingen voor die niets met de historische werkelijkheid, die veel genuanceerder en complexer in elkaar steekt, van doen hebben“, schreef Predrag Vitković in een reactie. “Eerlijk gezegd denk ik dat hij een ziekelijk beeld heeft van de Serviërs, als gevolg van de jarenlange oorlogspropaganda.”
Dijkshoorn antwoordde Vitković vervolgens dat zijn ironische stijlvorm niet wordt begrepen: “Ik ben zeer pessimistisch. Ik lees het in alle mails die ik krijg. Jullie willen het niet begrijpen. Het is lekkerder om mee te huilen en te schreeuwen. Paradoxaal genoeg reageren, tot mijn schrik, veel Serven die mij mailen erg kort door de bocht en agressief. Voorlopig wens ik niet te geloven dat dat de volksaard is, maar slechts de reacties van wat door u opgehitste individuen.” En besloot met het advies: “Ga nadenken! Lees wat oude columns van mij. Probeer te begrijpen hoe ironie werkt.”
Ik vrees dat zijn advies tevergeefs zal zijn. Hij had niet eens de moeite hoeven te nemen om zich nader te verklaren. Ook zonder Dijkshoorns column is er voor beroepsserviërs altijd genoeg aanleiding om zich gegriefd en gestigmatiseerd te voelen en uitgedost in nationale emblemen opnieuw naar het Haagse Plein te togen. Voor wie geen verschil maakt tussen culturele identiteit en nationalistische trots, is elke kritische noot over Servië een persoonlijke belediging — en ironie iets buitenaards. Teofil Pančić, een columnist van het Servische weekblad Vreme die bekend staat om zijn felle ironische teksten, verzuchtte al eens dat de Servische diaspora voor de meest hysterische lezersbrieven zorgt. Het is altijd een Serviër uit pakweg Pfaffenhofen die in de pen klimt om het op te nemen voor de regeringspolitiek van een land waar de achterblijvers het liefst nog vandaag uit emigreren.
Als de »Servische gemeenschap in Nederland« wel in staat is met één stem te spreken over zoiets onnozels als een column van Nico Dijkshoorn of Jan Dijkgraaf, of zich bezig te houden met wazig geformuleerde petities tegen Albanese propaganda in Nederlandse schoolboeken, waarom distantieert zij zich dan niet duidelijk van de glorieuze wandaden die in haar naam (»u interesu srpskog naroda«, zoals dat destijds zo mooi werd geformuleerd) zijn verricht? Heeft de morele ambivalentie van de Servisch-orthodoxe kerk in Nederland — en diens ultraconservatieve pleitbezorgers die hun volksgenoten graag tot een gelijkgeschakelde kudde willen kneden — daar misschien iets mee te maken? Dat deze kerk zich ontfermt over oorlogsmisdadigers in de Scheveningse bajes kan nog gezien worden als een plicht van de dienstdoende parochiepriester, maar het is een regelrechte doodzonde dat de kerk faalt om in de publieke sfeer geloof en politiek gescheiden te houden. De kerk organiseert gebedsdiensten in de openlucht tijdens politieke demonstraties en bemoeit zich actief met het politieke discours rond de rechtmatigheid van de Kosovaarse onafhankelijkheidsverklaring. »Uit naam van alle Serviërs« in Nederland lijkt de kerk geestelijke zorg te verwarren met politieke stellingname. Dat is overigens niet voor het eerst. Aan het begin van de oorlog in Bosnië, voorjaar 1992, liet bisschop Vasilije Kačavenda de inventaris van zijn bisschopszetel in Tuzla veiligstellen bij Radovan Karadžić en verliet hij de multi-etnische stad als een rat in de nacht — om de zielenzorg voor de achterblijvende gelovigen over te laten aan de mortiergranaten van het Bosnisch-Servische leger. Sindsdien is Kačavenda kerken gaan bouwen op landgoed geconfisceerd van verdreven en vermoorde Moslims. Ik heb daar nog nooit een beroepsserviër schande van horen spreken. Misschien omdat dit soort genuanceerde historische werkelijkheid nooit in Vesti wordt afgedrukt. Of omdat een Servische bisschop simpelweg geen slecht mens kan zijn.
Nee, dan liever een voorbeeld genomen aan Gojko Mitić. Deze Servische acteur en stuntman, geboren en getogen in een dorpje bij Leskovac, werd in de DDR ongekend populair met zijn talrijke vertolkingen van indianenrollen in de westernfilms uit de DEFA-studio. Ook ver buiten de oude DDR wordt Mitić vandaag de dag nog altijd gehuldigd als — »beroepsindiaan«.
About this entry
You’re currently reading “Beroepsserviërs,” an entry on Richard de Boer
- Published:
- 12.31.09 / 12am
- Category:
- beiträge zur balkanologie
- Tags:
No comments
Jump to comment form | comments rss [?] | trackback uri [?]